Service voor uw kantoorapparatuur

Zekerheid met een serviceabonnement van Reprotec

Een snelle adequate serviceverlening is van essentieel belang voor kantoorapparatuur die intensief gebruikt wordt, en continu beschikbaar moet zijn. Bij Reprotec neemt de service een belangrijke plaats in. Wij adviseren iedere gebruiker om een serviceabonnement af te sluiten. Dit geeft u de garantie dat uw apparatuur goed wordt onderhouden, en dat u daar op elk moment optimaal gebruik van kunt maken. Daarom geeft Reprotec daar juist extra aandacht aan.

Via een volledig geautomatiseerd systeem komt de melding direct bij de juiste service engineer terecht. Dit bespaart tijd in de verwerking, waardoor er sneller op uw melding gereageerd kan worden. Deze service engineers werken onderweg met laptop en tablet, zodat zij direct over uw gegevens kunnen beschikken, inclusief de historie en onderhoud op uw apparatuur. Hierdoor zijn ze beter in staat de melding vooraf al te analyseren, en met een van te voren uitgezochte oplossing aan de storing te werken, zodat uw print- en scanwerkzaamheden weer snel opgepakt kunnen worden.

De combinatie van ervaren servicemedewerkers, een optimale distributie van verbruiksmaterialen en onderdelen, snelle responstijden en een volledig dekkend gebied zorgen voor een optimale service waar u op mag rekenen.

In een serviceabonnement zit standaard opgenomen :

  • Gebruik van verbruiksmaterialen zoals toners
  • Reparatie bij een storing of defect
  • Vervangen van onderdelen
  • Arbeidsuren en voorrijkosten
  • Periodiek onderhoud volgens onderhoudsinterval
  • Voorrang bij een onderhoudsmelding
  • Helpdesk en ondersteuning
  • Indien nodig een vervangende printer om noodzakelijke printwerkzaamheden op te vangen

Het verlenen van service wordt gedaan door heel Nederland en Belgie

Support en ondersteuning

Helpdesk

Via de on line helpdesk kunt u 24/7 terecht voor antwoorden en oplossingen. In onderstaand overzicht vindt u uitleg over het installeren van printerdrivers en het instellen van de scanfunctie. Tevens vindt u hier antwoorden en oplossingen voor eventuele vraagstukken tijdens het gebruik.

Heeft u specifieke vragen over de werking en functies van uw multifunctionele printer, dan kunt u ze ook stellen via support@reprotec.nl

Uitleg voor installatie printerdriver en scanner

Hier vindt u uitleg over het installeren van de printerdriver en de scanfuncties

Klik op onderstaand onderwerp voor meer uitleg.

Download eerst de juiste printerdriver voor het model printer dat u gaat gebruiken, volg daarvoor onderstaande stappen :

  • Maak als eerste een map aan op uw pc waarin de software tijdens het downloaden opgeslagen kan worden . Geef deze map b.v. de naam Ricoh printerdriver of Canon printerdriver, zodat u de gegevens makkelijk terug kunt vinden.
  • Ga naar de website www.reprotec.nl en kies daar voor Service & Support.
  • Klik op de button drivers downloaden voor de Ricoh of Canon.
  • Selecteer bij het juiste product uw model printer.
  • Kies voor het besturingssysteem waar u mee werkt, stel eventueel de taal in op Nederlands en klik dan op downloaden van de PCL 6 driver. Zorg dat het downloaden wordt gedaan in de map die u daarvoor heeft aangemaakt.

Voer hierna de installatieprocedure uit zoals onderstaand is omschreven :

  • Zorg dat de netwerkkabel is aangesloten op de printer, en zet de printer aan via de hoofdschakelaar. Wacht totdat er links onder in het display het ip-adres gaat knipperen. Noteer dit adres, deze heeft u nodig tijdens de installatieprocedure.
  • Vervolgens kiest u op de pc voor start -> Instellingen
  • Maak vervolgens de keuze voor Apparaten en Printers bij de optie Verwante instellingen
  • Kies in het volgende scherm voor “Een printer toevoegen” links boven in
  • Kies hierna voor de optie -> de printer die ik wil staat niet in de lijst
  • Kies vervolgens voor een lokale printer of een netwerkprinter toevoegen
    met handmatige instellingen en klik op volgende
  • Selecteer vervolgens een nieuwe poort maken en kies voor standaard TCP/IP poort en klik weer volgende
  • Vul bij Hostnaam of IP-adres het nummer in wat u eerder bij de printer heeft opgeschreven. Zet ook het vinkje bij Query op printer uitvoeren….. uit en klik op volgende
  • Kies vervolgens bij stuurprogramma installeren voor de optie bladeren
  • Kies bij “Bestanden van fabrikant kopiëren van” nogmaals voor de optie bladeren.
  • Zoek in het volgende scherm naar de map waar u eerder de driver heeft opgeslagen en uitgepakt. Selecteer hierna het oemsetup bestand ( meestal in de map disk1 ) en klik op openen
  • Kies hierna het juiste model printer welke u installeert en klik op volgende
  • Eventueel kunt u in dit scherm de printernaam veranderen, klik daarna op volgende
  • In dit scherm kunt u aangeven of de printer wel of niet gedeeld dient te worden, klik daarna op volgende
  • Op het volgende scherm kunt u een testpagina afdrukken om te testen of de printer werkt. Ook kunt u de printer direct als standaard printer instellen. Klik hierna weer op voltooien en de printer is geïnstalleerd

Download eerst de juiste printerdriver voor het model printer dat u gaat gebruiken, volg daarvoor onderstaande stappen :

  • Maak als eerste een map aan op uw pc waarin de software tijdens het downloaden opgeslagen kan worden . Geef deze map b.v. de naam Ricoh printerdriver of Canon printerdriver, zodat u de gegevens makkelijk terug kunt vinden.
  • Ga naar de website www.reprotec.nl en kies daar voor Service & Support.
  • Klik op de button drivers downloaden voor de Ricoh of Canon.
  • Selecteer bij het juiste product uw model printer.
  • Kies voor het besturingssysteem waar u mee werkt, stel eventueel de taal in op Nederlands en klik dan op downloaden van de PCL 6 driver. Zorg dat het downloaden wordt gedaan in de map die u daarvoor heeft aangemaakt.

Voer hierna de installatieprocedure uit zoals onderstaand is omschreven :

  • Zorg dat de netwerkkabel is aangesloten en zet de printer aan via de hoofdschakelaar. Noteer het ip-adres dat links onder in het scherm knippert, deze heeft u nodig tijdens de installatieprocedure.
  • Ga naar Windows Start en klik op “Apparaten en printers”
  • Kies boven in voor “Een printer toevoegen”
  • *
  • Kies voor lokale printer toevoegen
  • *
  • Selecteer vervolgens een nieuwe poort maken en kies voor standaard TCP/IP poort en kies weer volgende
  • *
  • Vul bij Hostnaam of IP-adres het nummer in wat u eerder bij de printer heeft opgeschreven. Zet ook het vinkje bij Query op printer ….. uit en klik op volgende
  • *
  • Kies in dit scherm voor open disc bladeren en blader naar de map waar u eerder de driver heeft opgeslagen en uitgepakt. Selecteer hierna het juiste model en klik op volgende
  • *
  • Selecteer de schijf waar het bestand is opgeslagen b.v. C:/ en kies daarna voor bladeren.
  • *
  • Ga naar de map waar de printersoftware is opgeslagen
  • *
  • Open de map disk 1 en selecteer daarna OEMSETUP.INF klik vervolgens op open
  • *
  • Controleer of in het vak “Bestanden van fabrikant kopieren van” de map wordt weergegeven die u heeft geselecteerd en klik op OK
  • *
  • Klik in het vak “Printers” op het juiste model en klik dan op volgende
  • *
  • Eventueel kunt u in dit scherm de printer naam veranderen, klil hierna weer op volgende
  • *
  • Hier kunt u aangeven of u de printer wel of niet wilt delen , klik hierna weer op volgende
  • Op dit scherm kunt u een testpagina afdrukken om te testen of de printer werkt. Klik hierna op voltooien en de printer is geïnstalleerd
  • *

Download eerst de juiste printerdriver voor het model printer dat u gaat gebruiken, volg daarvoor onderstaande stappen :

  • Maak als eerste een map aan op uw pc waarin de software tijdens het downloaden opgeslagen kan worden . Geef deze map b.v. de naam Ricoh printerdriver of Canon printerdriver, zodat u de gegevens makkelijk terug kunt vinden.
  • Ga naar de website www.reprotec.nl en kies daar voor Service & Support.
  • Klik op de button drivers downloaden voor de Ricoh of Canon.
  • Selecteer bij het juiste product uw model printer.
  • Kies voor het besturingssysteem waar u mee werkt, stel eventueel de taal in op Nederlands en klik dan op downloaden van de PostScript driver. Zorg dat het downloaden wordt gedaan in de map die u daarvoor heeft aangemaakt.

Voer hierna de installatieprocedure uit zoals onderstaand is omschreven :

  • Zorg dat de netwerkkabel is aangesloten en zet de printer aan via de hoofdschakelaar. Noteer het ip-adres dat links onder in het scherm knippert, deze heeft u nodig tijdens de installatieprocedure.
  • Klik op uw Apple pc op systeemvoorkeuren, kies daarna voor Printers en Scanners
  • Klik links onder in het vakje op de Plusknop (+) om een printer toe te voegen.
  • Kies in het volgende scherm boven in voor IP, vul daarna bij Adres het ip nummer in dat u heeft genoteerd.
  • Na het invullen van het adres, gaat de Apple eerst verbinding maken en kijken welk model is geïnstalleerd.
  • Na enkele seconden verschijnt bij Gebruik het model van uw printer. Let op dat achter het modelnaam in ieder geval PS staat (b.v. Ricoh MPC 2003 PS), anders is het opgegeven ip-adres niet goed, of kan de pc geen verbinding met de printer maken. Eventueel kunt u bij Naam de naam van de printer veranderen.
  • In het volgende scherm kunt u aangeven welke opties op de printer aanwezig zijn. Klik hierna op OK en daarna op Voeg toe.
  • De printerdriver is nu geïnstalleerd.
  • Download eerst de juiste ICM kleurenprofiel bestanden en pak deze uit op uw computer. Deze bestanden kunt u vinden bij de driver download pagina.
  • Kies op de downloadpagina voor de ICM files , download deze en pak de bestanden uit.
  • Ga via Start naar Apparaten en Printers en klik daar met de rechter muisknop op het icoon van de  printer, kies hier voor “eigenschappen van printer”.
  • Selecteer hier boven in het tabblad kleurbeheer en kies nogmaals voor kleurbeheer.
  • Selecteer bij apparaat uw type printer , zet een vinkje aan bij Mijn instellingen voor dit apparaat gebruiken. Kies bij Profiel selecteren voor de optie handmatig. Klik daarna links onder op Toevoegen.
  • Kies hier voor bladeren. Blader naar de map waar u de ICM bestanden heeft opgeslagen. Selecteer het RGB ICM bestand en kies voor toevoegen.
  • Kies eerst de optie : als standaardprofiel instellen. Kies hierna via de knop profielen : mijn instellingen met de standaardwaarden van systeem combineren.
  • Klik hierna rechtsonder op sluiten.
  • Selecteer nogmaals de printer met de rechter muisknop en kies voor
    Voorkeursinstellingen voor afdrukken.
  • Kies via het tabblad uitgebreide instelling , de optie afdrukkwaliteit.
    Selecteer bij Afbeeldingsinstellingen voor de optie gebruikersinstelling.
    Kies bij kleurprofiel voor de optie ICM gebruiken.
  • Klik hierna onder in voor Toepassen en dan OK. Hiermee is uw kleurenprofiel aangepast en als standaard opgeslagen.
  • Druk links boven op het bedieningspaneel op de toets met “123” om in de gebruikersinstellingen te komen. Hierna verschijnt het scherm voor algemene instellingen en selecteer hier de Systeeminstellingen.
  • Selecteer het tabblad : Bestandsoverdracht
  • Vul bij SMTP server het adres van uw mailserver in ( eventueel van de internet provider ) en voer hierna een verbindingstest uit om te zien of de printer de mailserver kan bereiken.
    Vul hierna bij e-mail adres beheerder het mail adres in welke de printer als afzender mag gebruiken.
    Blader vervolgens rechtsonder in het scherm naar de 2e pagina , stel hier de instelling naam afzender automatisch specificeren in op Aan.
  • Vervolgens kunt u afsluiten en via de scanner functie een mail versturen

Scan to E-mail instellen

  1. Druk op het bedieningspaneel op de toets [Gebruikersinstellingen/Teller/Informatie].
  1. Druk op [Systeeminstellingen].

 

  1. Configureer de verschillende instellingen zoals gewenst.

[-] SMTP-server configureren

  1. Druk op [Bestandsoverdracht] en druk vervolgens op [SMTP-server].
  1. Druk op [Wijzigen] en voer vervolgens de servernaam en het poortnummer in.
    • De servernaam kan worden ingevoerd als servernaam (FQDN) of als IP-adres.
      Als u de servernaam invoert als IP-adres, moet u de DNS-configuratie instellen zoals hieronder wordt weergegeven.
    • Druk op [Verbindingstest] om te controleren of er kan worden gecommuniceerd.
*

[-] SMTP-verificatie configureren

Om de SMTP-verificatie voor Scan to E-mail te configureren vanaf het bedieningspaneel, gaat u als volgt te werk:

Opmerking

  • De screenshots zijn uitsluitend ter illustratie. Uw display kan er anders uitzien afhankelijk van uw besturingssysteem en apparaat.
  • Behalve de SMTP-verificatie-instellingen moet u ook de Scan to E-mail-instellingen correct hebben geconfigureerd.

De onderstaande gegevens worden gebruikt als voorbeeld bij het registratieproces zoals onderstaand is omschreven, hier dient u uw eigen gegevens te gebruiken:

  • IPv4-adres van apparaat192.168.1.100
  • E-mailadres van gebruiker van SMTP-verificatieimagio@example.co.jp
  • Naam van gebruiker van SMTP-verificatieimagio
  1. Druk op het tabblad [Bestand doorzenden] en druk vervolgens op [SMTP Verificatie].
  1. Druk op [Aan].Druk op [Wijzigen] naast [Gebruikersnaam].
  1. Voer de gebruikersnaam in die u wilt gebruiken voor SMTP-verificatie en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Wijzigen] naast [E-mailadres].
  1. Voer het e-mailadres voor de SMTP-verificatie in en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Wijzigen] naast [Wachtwoord].
  1. Voer het wachtwoord in dat u wilt gebruiken voor SMTP-verificatie en druk vervolgens op [OK].
  1. Voer het wachtwoord opnieuw in ter bevestiging en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Autom.] bij [Codering] en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Afsluiten].
  1. Druk op [Afsluiten].

 

Met behulp van scannen naar e-mail

Om met uw scanner per e-mail afbeeldingen te verzenden naar een opgegeven bestemming, gaat u als volgt te werk:

Opmerking: De screenshots zijn uitsluitend ter illustratie. Uw display kan er anders uitzien afhankelijk van uw besturingssysteem en apparaat.

Let op!

Om instellingen te registreren als standaardinstellingen die onmiddellijk moeten worden gebruikt na het aanzetten van het apparaat en na automatisch wissen of een reset, gaat u als volgt te werk.

De instellingen die kunnen worden opgegeven als standaardinstellingen zijn: kleurselectie, invoerlade, origineeltype, dichtheid (belichting), speciale origineelinstellingen, origineelrichting, voorblad, bewerken/kleur, zijden/binding/deling, formaatwijziging en afwerking.

  1. Druk op de [Scanner]-knop en geef de instellingen op die u wilt opgeven als standaardinstellingen.
  1. Op het bedieningspaneel van het apparaat drukt u op de [Programmeren]-knop.

 

  1. Druk op [Opslaan als standaards].
  1. Druk op [Opslaan].
  1. Wanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven, drukt u op [Opslaan].
  1. De huidige instellingen worden opgeslagen als standaardinstellingen en u keert terug naar het standaard scherm.
  • Maak op het werkstation of server een nieuwe map aan ( bijvoorbeeld scans ) en klik deze aan met de rechter muisknop. Selecteer vervolgens delen met …… en kies hier voor Specifieke personen.
  • Kies hier iedereen , en kies toevoegen.
  • Stel bij iedereen de machtigingen in op Lezen / Schrijven. Kies hierna voor delen.
  • Noteer het netwerkpad ( bijvoorbeeld : \\SL004\scans ) zoals in het scherm is aangegeven. Klik hierna op gereed , de map is gedeeld.
  • Open via het configuratiescherm , het Netwerkcentrum en kies links voor
    Geavanceerde instellingen voor delen wijzigen.
  • Zorg ervoor dat de volgende instellingen goed staan :
    Netwerkdetectie inschakelen
    Bestands- en printerdeling inschakelen
    Delen van bestanden inschakelen voor apparaten die 40-bits of 56-bitsversleuteling gebruiken
  • Selecteer op de printer de scanner functie en kies het tabblad Map. Kies hier de knop Handmatig Invoeren.
  • Selecteer nogmaals handmatig invoeren en voer hier het netwerkpad in wat u eerder heeft opgeschreven. Bevestig dit rechtsboven met OK.
  • Kies hierna voor bladeren door netwerk.
  • De melding “Kan niet inloggen” verschijnt de melding in beeld. Druk op afsluiten.
  • Vul vervolgens uw Windows Gebruikersnaam en wachtwoord in en kies hierna Log – in.
  • In beeld verschijnt de map waarheen gescand kan worden. Als dit juist is kies rechtsboven voor OK.
  • Nu kunt u eenmalig naar de map scannen.
    Om de bestemming op te slaan , druk op de knop : Programmeer Bestemming
    Ga vervolgens naar het meest linker tabblad : Namen
    Selecteer bij naam -> wijzigen en geef een naam op
    Deze wordt automatisch bij toetsweergave ingevuld
    Kies rechtsboven voor OK, de scanmap is opgeslagen.

Vragen en oplossingen

Hier vindt u oplossingen voor eventuele vraagstukken omtrent het gebruik

Beveiligd printen met pincode
  • Open het document dat u wilt printen en kies voor afdrukken, het Windows pop up scherm waar u de printer kunt kiezen verschijnt in beeld. Selecteer hier het juiste model, en klik rechts daarvan op de button Eigenschappen.
  • Selecteer het tabblad Veelgebruikte instellingen of Snelkeuzes.
  • Kies bij Taaksoort uit de keuzelijst voor Beveiligde afdruk en daarna voor Details rechts van de selectie.
  • Voer hier eventueel een gebruikers ID in b.v. uw naam. Dit wordt in het overzicht op de printer weergegeven, zodat u uw documenten makkelijk terug kunt vinden. Voer daarna een pincode van minimaal 4 en maximaal 8 cijfers in en klik daarna op OK.
  • Vervolgens komt u weer terug in het scherm waar de overigen instellingen voor de printopdracht gemaakt kunnen worden.
  • Klik op OK en daarna op Afdrukken.
  • Vervolgens opent u op de printer de Printerfunctie via de toetsen links van het display, en toetst u links onder op het display op Afdruktaken.
  • In het display verschijnt een overzicht van de beveiligde printopdrachten die zijn gegeven. Selecteer vervolgens op uw document en toets daarna op Afdrukken rechts onder in het display.
  • Toets via de cijfertoetsen uw pincode in en daarna op OK.
  • Bevestig met Ja dat u het document wilt afdrukken, de printer zal nu de taak voltooien
Afdrukken vanaf usb stick of sd kaart
  • Plaats de usb stick of sd kaart aan de zijkant van het bedieningspaneel in de daarvoor bestemde poort, en wacht tot het led lampje gaat branden.
  • Selecteer via de druktoetsen links van het scherm de printfunctie, en kies dan voor de optie Vanaf geheugenopslag afdrukken.
  • Kies vervolgens voor het geheugenapparaat dat in het display zichtbaar wordt.
  • Er verschijnt een overzicht met de beschikbare bestanden, selecteer vervolgens de documenten die u af wilt drukken.
  • Eventueel kunt u nog instellingen wijzigen via de optie Gedetailleerde instellingen rechts in het menu op het display. Hier kunt u b.v. de papierlade selecteren, het document in kleur of zwart wit afdrukken, dubbelzijdig of enkelzijdig afdrukken en de resolutie veranderen.
  • Toets hierna rechts boven op OK en dan rechts onder op Start afdrukken. Het aantal afdrukken kan met de cijfertoetsen gewijzigd worden.
Aantal afdrukken per gebruiker limiet instellen

Als u het maximum aantal afdrukken voor een bepaalde gebruiker wilt opgeven, volgt u deze stappen:
Deze instelling kan worden geconfigureerd door de gebruikersbeheerder.

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].
  1. Druk op [Systeeminstellingen].
  1. Druk op [Beheerdertoepas.].
  1. Druk op [Adresboek management].
  1. Geef aan voor welke gebruiker u een maximum aantal afdrukken wilt opgeven.
  1. Druk op [Verif. info].
  1. Druk op [Beperking] in “Beperking volume printergebruik”.Als dit item niet zichtbaar is, drukt u op [AfbeeldingVolg.] om meer instellingen weer te geven.”Beperking volume printergebruik” wordt niet weergegeven als u [Doorgaan met gebruik toestaan] hebt geselecteerd bij “Actie van apparaat wanneer limiet bereikt is”.Als u het aantal afdrukken voor gebruikers niet wilt beperken, drukt u op [Niet beperken].
  1. Druk op [Wijzigen] en gebruik de cijfertoetsen om een waarde tussen “0” en “999.999” in te voeren voor het maximum aantal afdrukken. Druk vervolgens op [Afbeelding].Een gebruiker voor wie het maximum aantal afdrukken is ingesteld op “0”, kan alleen taken afdrukken met een afdrukscenario waarvan de eenheid is ingesteld op “0”.

 

  1. Druk op [OK].
  1. Druk op de knop [Inloggen/Uitloggen].
  1. Druk op [Ja].

Opmerking

  • Het maximum aantal afdrukken voor een individuele gebruiker kan ook worden opgegeven in [Adresboek] in Web Image Monitor.
  • U kunt gebruikers zoeken door een naam in te voeren in het tekstvak boven in het display en op [Zoeken] te drukken.
  • U kunt een maximum afdrukvolume voor maximaal 500 gebruikers opgeven.
Aantal afdrukken per gebruiker controleren

Hoe controleer ik het aantal afdrukken per gebruiker?

Als u het aantal afdrukken per gebruiker tot dusver wilt controleren, volgt u deze stappen:
Deze procedure kan worden uitgevoerd door elke beheerder.
  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].
  1. Druk op [Systeeminstellingen].
  1. Druk op [Beheerdertoepas.].
  1. Druk op [Teller weergeven/wissen/afdrukken per gebruiker].
  1. Druk op [Volume printergebruik].Voor alle gebruikers wordt het tot dusver gebruikte aantal afdrukken en de beperking op het aantal afdrukken weergegeven.
  1. Nadat u de tellers hebt gecontroleerd, drukt u op de knop [Inloggen/uitloggen].
  1. Druk op [Ja].

Opmerking

  • Bevoegde gebruikers en de gebruikersbeheerder kunnen ook het [Adresboek] in Web Image Monitor gebruiken om de tellers voor printervolumegebruik van gebruikers te controleren.
Kleurkalibratie uitvoeren

Door de onderstaande stappen te doorlopen kunt u een kleurkalibratie uitvoeren op de machine.

  1. Druk op de toets Gebruikersinstellingen / Teller.
    (Links boven op het toetsenpaneel, 123 staat er in het klein op).
  2. Kies voor onderhoud in het display.
  3. Kies voor automatische kleurkalibratie.
  4. Kies eerst voor de kopieerfunctie, druk op start en hierna op afdrukken starten.
  5. Leg het testpatroon op de glasplaat en start de scan.
  6. Hierna kiest u voor de printerfunctie. U kunt alle 3 de testpatronen kalibreren.
  • U hoeft dit programma niet iedere dag toe te passen.
  • 1 keer in de maand is over het algemeen voldoende.
  • Wanneer u wilt zou u dit 1x in de week kunnen doen.
  • Voor een belangrijke opdracht.
Afdrukkwaliteit vragen en antwoorden

Als u geen duidelijke afdrukken kunt maken

ProbleemOorzakenOplossingen
De afgedrukte afbeelding is bevlekt.Instellingen voor dik papier zijn mogelijk niet gemaakt bij het afdrukken op dik papier in de handinvoer.

PCL 5c

Op het tabblad [Papier] van het printerstuurprogramma selecteert u[Handinvoer] in de lijst “Invoerlade:”. Selecteer dan in de lijst “Type:” het juiste papiertype.

PCL 6

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma klikt u op[Papier] in “Menu” en vervolgens selecteert u[Handinvoer] in de lijst “”Invoerlade:”. Selecteer dan in de lijst “Papiertype:” de juiste papiersoort.

PostScript 3

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma klikt u op[Papier] in “Menu” en vervolgens selecteert u[Handinvoer] in de lijst “”Invoerlade:”. Selecteer dan in de lijst “Papiertype:” de juiste papiersoort.

De hele afgedrukte pagina wordt vaag afgedrukt.Het papier is vochtig.Gebruik papier dat is opgeslagen onder de aanbevolen temperatuur en luchtvochtigheid.
De hele afgedrukte pagina wordt vaag afgedrukt.Het papier is niet geschikt.Gebruik alleen aanbevolen papier. Als u afdrukt op grof of bewerkt papier, dan kan dat leiden tot vage afdrukafbeeldingen.
De hele afgedrukte pagina wordt vaag afgedrukt.Als het selectievakje [Toner besparen] is aangevinkt in de instellingen van het printerstuurprogramma, dan zal de gehele pagina vaag worden afgedrukt.

Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma klikt u op[Afdrukkwaliteit] in “Menu:” en vervolgens selecteert u [Uit] in de lijst “Toner besparen:”.

Afbeeldingen vlekken als men er over wrijft. De toner blijft niet zitten.Het opgegeven papiersoort en het daadwerkelijk gebruikte papier verschillen wellicht van elkaar. Er kan bijvoorbeeld dik papier zijn gebruikt, terwijl dit niet is opgegeven als papiersoort.

PCL 5c

Op het tabblad [Papier] van het printerstuurprogramma selecteert u het juiste papiertype in het veld [Type:].

PCL 6

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma, klikt u op[Papier] in “Menu:” en vervolgens selecteert u een geschikte papiersoort in de lijst “Papiertype:”.

PostScript 3

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma, klikt u op[Papier] in “Menu:” en vervolgens selecteert u een geschikte papiersoort in de lijst “Papiertype:”.

De afgedrukte afbeelding verschilt van de afbeelding op het computerdisplay.Afdrukken wordt uitgevoerd door de grafische verwerkingsfunctie van het apparaat.

Alleen wanneer PCL 6 wordt gebruikt

Op het tabblad [Gedetailleerde instellingen]van het printerstuurprogramma klikt u op[Afdrukkwaliteit] in “Menu:” en vervolgens selecteert u [Raster] in de lijst “Vector/Raster:”.

Wanneer u afbeeldingen afdrukt, dan is de uitvoer anders dan op het scherm.
Als het printerstuurprogramma is geconfigureerd om de opdracht afbeeldingen te gebruiken, dan wordt de opdracht afbeeldingen van het apparaat gebruikt voor het afdrukken.Als u nauwkeurig wilt afdrukken, stel dan het printerstuurprogramma in voor afdrukken zonder de opdracht afbeeldingen te gebruiken. Voor meer informatie over het instellen van het printerstuurprogramma raadpleegt u de helpfunctie van het printerstuurprogramma.
Er verschijnen witte lijnen.Het stofvrije glas is vies.Reinig het stofvrije glas.
Lijnen lopen niet goed of er verschijnen ongewenste alfanumerieke tekens.Er is mogelijk een onjuiste printertaal geselecteerd.Selecteer het juiste printerstuurprogramma en druk het bestand opnieuw af.
Afbeeldingen worden afgebroken, of er worden overtollige pagina’s afgedrukt.Mogelijk gebruikt u papier dat kleiner is dan het formaat dat in de toepassing is geselecteerd.Gebruik het papierformaat dat is geselecteerd in de toepassing. Als u geen papier van het juiste formaat kunt plaatsen, gebruik dan de verkleinfunctie om de afbeelding te verkleinen en druk vervolgens af. Voor meer informatie over de verkleiningsfunctie, raadpleegt u de helpfunctie van het printerstuurprogramma.
Foto-afbeeldingen zijn grof.Sommige toepassingen drukken af met een lagere resolutie.Gebruik de instellingen van de toepassing of van het printerstuurprogramma om een hogere resolutie op te geven. Voor meer informatie over de instellingen van het printerstuurprogramma raadpleegt u de helpfunctie van het printerstuurprogramma.
Een solide lijn wordt afgedrukt als een lijn van schuine strepen of lijkt wazig.Ditherpatronen komen niet overeen.Wijzig de ditherinstellingen in het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over de ditherinstellingen raadpleegt u de helpfunctie van het printerstuurprogramma.
Dunne lijnen zijn wazig, niet overal even dik of gekleurd, of verschijnen niet.U heeft extra dunne lijnen opgegeven in de toepassing, of u heeft een lijnkleur opgegeven die te licht is voor lijnen.Wijzig de ditherinstellingen in het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over de ditherinstellingen raadpleegt u de helpfunctie van het printerstuurprogramma.

Als het probleem zich blijft voordoen nadat u de ditherinstellingen heeft aangepast, gebruik dan de instellingen van de toepassing waarmee de afbeelding werd gemaakt om de dikte of de kleur van de lijnen te wijzigen.

Afbeeldingen lijken alleen gedeeltelijk gekleurd.Het papier is vochtig.Gebruik papier dat is opgeslagen onder de aanbevolen temperatuur en luchtvochtigheid.
Tussenblad bij printopdracht instellen

De functie Tussenblad van de stuurprogramma’s van PCL 5 en 6 voegen een blanco pagina na elke pagina in een opdracht. Deze functie is speciaal bedoeld voor afdrukken op transparanten. De functie Tussenblad kan alleen met de modellen in deze Veelgestelde vragen worden gebruikt als het papiertype Transparant is.

De volgende invoerlades zijn mogelijk.
– Normale pagina’s: de handinvoer (of elke andere lade die transparanten kan invoeren)
– Tussenbladen: elke lade behalve de lade die wordt gebruikt voor de invoer van de rest van de opdracht (Automatische ladekeuze kan niet worden gebruikt)

Opmerking: als voor de tussenbladen en de normale bladen dezelfde lade wordt geselecteerd, worden de tussenbladen geannuleerd. Er wordt geen fout geregistreerd.

De tussenbladfunctie inschakelen:
Selectievakje tussenblad > aanvinken
Dit schakelt de functie Tussenblad in, wijzigt het papiertype voor de taak in transparant en wijzigt de lade in handinvoer.

Voorbeeld (PCL 6-stuurprogramma dat de nieuwste gebruikersinterface gebruikt):
*

 

 

De functie Tussenblad van de stuurprogramma’s van PCL 5 en 6 voegen een blanco pagina na elke pagina in een opdracht. Deze functie is speciaal bedoeld voor afdrukken op transparanten. Het is echter mogelijk de tussenbladfunctie te gebruiken met de modellen in deze Veelgestelde vragen met andere papiertypes.

De volgende invoerlades zijn mogelijk.
– Normale pagina’s: elke lade (handinvoer wordt verwijderd uit de keuzelijst)
– Tussenbladen: elke lade behalve de lade die wordt gebruikt voor de invoer van de rest van de opdracht (handinvoer wordt verwijderd uit de keuzelijst)

Opmerking: als voor de tussenbladen en de normale bladen dezelfde lade wordt geselecteerd, worden de tussenbladen geannuleerd. Er wordt geen fout geregistreerd.

De tussenbladfunctie inschakelen
Selectievakje Tussenblad > inschakelen
Dit schakelt de tussenbladfunctie in en wijzigt de lade in Lade 1. Opmerking: zorg ervoor dat de tussenbladen niet uit dezelde lade komen als de rest van de opdracht.

Voorbeeld (PCL 6-stuurprogramma):
*

Het afdrukken start niet

Controleer onderstaande mogelijkheden

  • Is het ip-adres dat links onderin het display knippert hetzelfde als het ip-adres in de printerdriver. Indien deze niet hetzelfde zijn, dient u het ip-adres in de printerdriver te veranderen naar het ip-adres van de printer.
  • Controleer of de netwerkkabel goed is aangesloten. Start de printer eventueel opnieuw op via de hoofdschakelaar.
  • Indien de printer werkt met een draadloze LAN, kunnen printstoringen ontstaan als het signaal te zwak is. Zorg voor een signaalversterker of zet de printer dichterbij de router.
  • Als het groene led lampje voor dataontvangst brandt of knippert, is de printopdracht wel ontvangen. Het kan dan zijn dat het bestand naar de Document Server of met een pincode is gestuurd. Controleer of de opdrachten daar zijn opgeslagen.

 

Screenshots en illustraties zijn uitsluitend bedoeld voor referentiedoeleinden. Uw display of weergave kan variëren afhankelijk van het apparaat dat u gebruikt.

Wanneer u niet kunt afdrukken

OorzakenOplossingen
Het apparaat staat uit.Schakel de stroomtoevoer in.
De oorzaak wordt weergegeven op het scherm van het bedieningspaneel.Controleer de foutmelding of de status van de waarschuwing op het display en onderneem de vereiste actie.
De interfacekabel is niet correct aangesloten.Sluit de interfacekabel goed aan.
Er is geen juiste interfacekabel gebruikt.Het type interfacekabel dat u moet gebruiken, is afhankelijk van de computer. Controleer of u het juiste type gebruikt. Als de kabel beschadigd of versleten is, moet u deze vervangen.
De interfacekabel is aangesloten nadat de stroom is ingeschakeld.Sluit de interfacekabel aan voordat de stroom wordt ingeschakeld.
Als het apparaat gebruikmaakt van een draadloos LAN, kunnen er afdrukstoringen ontstaan door een zwak draadloos signaal.Controleer de signaalstatus van de draadloze LAN door op[Draadloos LAN-signaal] te drukken in het draadloos LAN-menu in [Interface-instellingen] onder [Systeeminstellingen]om de draadloze status van het apparaat weer te geven. Als de signaalkwaliteit onvoldoende is, verplaatst u het apparaat naar een locatie waar geen radiogolven zijn die mogelijk interferentie veroorzaken, of u verwijdert deze objecten die dit veroorzaken.

U kunt de signaalstatus alleen controleren als u een draadloos LAN in de infrastructuurmodus gebruikt.

Als het apparaat gebruik maakt van een Bluetooth-eenheid, dan kunnen afdrukstoringen ontstaan door een zwak draadloos signaal.Probeer het volgende:

  • Controleer of er geen obstakels zijn tussen de computer, het apparaat en andere apparaten.
  • Verander de plaats van de computer.
  • Verplaats de printer naar een andere plek.
De Bluetooth-eenheid is niet goed geïnstalleerd.
  • Controleer of de Bluetooth-interface juist geïnstalleerd is.
  • Druk de “Configuratiepagina” af en controleer of Bluetooth juist herkend wordt.
Als er een magnetron of draadloos LAN-toegangspunt in de buurt van het apparaat is, kunnen de radiogolven de Bluetooth-communicatie verstoren.Schakel de magnetron en het wireless LAN-toegangspunt uit en probeer opnieuw af te drukken. Als het afdrukken lukt, verplaatst u de apparaten naar een plaats waar ze niet storen.
Als het apparaat een interface-eenheid met draadloos LAN (IEEE 802.11b/g/n) of Bluetooth gebruikt, kunnen de radiogolven de draadloze communicatie verstoren. Dit probleem kan optreden als een magnetron, draadloze telefoon, machine of een wetenschappelijk of medisch instrument in de buurt van het apparaat hetzelfde frequentiebereik gebruikt.Schakel andere apparaten of instrumenten uit die hetzelfde frequentiebereik gebruiken, en probeer opnieuw af te drukken. Als het afdrukken lukt, verplaatst u de apparaten naar een plaats waar ze niet storen.
Als het apparaat gebruik maakt van een draadloos LAN, dan zijn de SSID-instellingen onjuist.Controleer of de SSID juist is ingesteld in [SSID-instelling] in het draadloze LAN-menu in [Interface-instellingen] onder[Systeeminstellingen] met het display. De tekens die kunnen worden gebruikt zijn ASCII 0x20-0x7e (32 bytes)
Als het apparaat gebruikmaakt van een draadloos LAN, kan het MAC-adres van de ontvanger communicatie met het toegangspunt in de weg staan.Controleer de toegangspuntinstellingen als u zich in de infrastructuurmodus bevindt. Afhankelijk van het toegangspunt kan het zijn dat toegang door een MAC-adres beperkt kan zijn. Controleer ook of er geen problemen zijn met verzending tussen het toegangspunt en clients met een normale verbinding en tussen het toegangspunt en clients met een draadloze verbinding.
De log-in gebruikersnaam, het log-in wachtwoord of de coderingssleutel voor het stuurprogramma is ongeldig.Controleer de ingevoerde log-in gebruikersnaam, het log-in wachtwoord of de coderingssleutel voor het stuurprogramma.
Geavanceerde codering is ingesteld tijdens gebruik van de Uitgebreide beveiligingsfunctie.Controleer de instellingen van de uitgebreide beveiligingsfunctie. Voor details over de uitgebreide beveiligingsfunctie-instellingen, neemt u contact op met uw beheerder
Er kan een mechanische fout zijn opgetreden.Neem contact op met servicedesk@reprotec.nl
De verzendingsmodus is niet correct geconfigureerd bij het gebruik van een draadloze LAN in de ad-hocmodus.
  • Schakel de stroom uit en weer in.
  • Wijzig [Communicatiemodus] in het draadloze LAN-menu in [Interface-instellingen] onder[Systeeminstellingen] in [802.11 Ad-hoc modus] en kies vervolgens [Uit] voor [Beveiligingsmethode].
Als het indicatielampje Inkomende gegevens niet brandt of knippert nadat het afdrukken is gestart, dan zijn er geen gegevens naar het apparaat verzonden.
  • Wanneer er een kabel wordt gebruikt om de computer rechtstreeks op het apparaat aan te sluiten, controleer dan of de printpoorten correct zijn geconfigureerd.
  • Wanneer er een computer op het netwerk is aangesloten, informeer bij uw beheerder dan naar de netwerkverbinding van de computer.

Als het afdrukken niet begint, neem dan contact op met de servicedesk.

Printopdracht duurt lang

Ga de voorkeursinstellingen voor afdrukken van de printerdriver, kies voor uitgebreide instellingen -> afdrukkwaliteit -> verander Vector/Raster in Raster. Indien u met grote of grafische bestanden werkt, is het raadzaam een Postscriptmodule te gebruiken.

ProbleemOorzakenOplossingen
Het duurt erg lang voordat het afdrukken is voltooid.Slaapstand of Fuseereenheid uitmodus is mogelijk ingesteld.Het apparaat heeft tijd nodig om op te warmen als het uit de Slaapstand of de Fuseereenheid uitmodus komt.
Het duurt erg lang voordat het afdrukken is voltooid.Foto’s en pagina’s die veel gegevens bevatten, nemen veel verwerkingstijd in beslag. U moet daardoor langer wachten totdat dergelijke gegevens worden afgedrukt.Als het lampje voor gegevensontvangst knippert, dan heeft het apparaat gegevens ontvangen. Wacht even.

Het afdrukken wordt mogelijk versneld wanneer u de volgende instellingen van het printerstuurprogramma wijzigt:

PCL 6

Selecteer een lagere resolutie in het printerstuurprogramma. Raadpleeg de helpfunctie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over het wijzigen van de resolutie.

PostScript 3

Selecteer een lagere resolutie in het printerstuurprogramma. Raadpleeg de helpfunctie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over het wijzigen van de resolutie.

Adresboek toevoegen of wijzigen

Een gebruikersnaam registreren

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

  2. Druk op [Systeeminstellingen].

  3. Druk op [Beheerdertoepassingen].

  4. Druk op [Adresboekmanagement].

  5. Controleer of [Programmeren/Wijzigen] is geselecteerd.

  6. Druk op [Nieuw programma].

  7. Druk rechts van de naam op [Wijzigen].

    Het display voor het invoeren van de naam wordt weergegeven.

  8. Voer de naam in en druk vervolgens op [OK].

  9. Druk onder Selecteer een titel op de toets met de classificatie die u wilt gebruiken.

  10. Druk tweemaal op [OK].

  11. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

Opmerkingen:

  • De naam kan worden gebruikt voor documenten in de Document Server.

  • U kunt maximaal 2000 namen registreren.

 

Een gebruikersnaam wijzigen

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

  2. Druk op [Systeeminstellingen].

  3. Druk op [Beheerdertoepassingen].

  4. Druk op [Adresboekmanagement].

  5. Controleer of [Programmeren/Wijzigen] is geselecteerd.

  6. Selecteer de geregistreerde naam die u wilt wijzigen. Druk op de naamtoets of voer het geregistreerde nummer in met de cijfertoetsen.

  7. Om de naam of toetsweergave te wijzigen, drukt u rechts van de naam of toetsweergave op [Wijzigen].

  8. Voer de naam of toetsweergave in en druk vervolgens op [OK].

  9. Om de titel te wijzigen, drukt u in Selecteer een titel op de toets met de classificatie die u wilt gebruiken.

Een registratienummer wijzigen

  1. Druk op [Wijzigen] rechts van Registratienummer

  2. Voer met de cijfertoetsen een nieuw registratienummer in. Druk vervolgens op de toets [#].

 

Een gebruikersnaam verwijderen

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

  2. Druk op [Systeeminstellingen].

  3. Druk op [Beheerdertoepassingen].

  4. Druk op [Adresboekmanagement].

  5. Druk op [Verwijderen].

  6. Selecteer de geregistreerde naam die u wilt verwijderen. Druk op de naamtoets of voer het geregistreerde nummer in met de cijfertoetsen.

  7. Druk op [Ja].

  8. Druk op [Afsluiten].

  9. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].
Scaninstellingen configureren

Hoe configureer ik mijn scannerinstellingen?

U kunt instellingen zoals [Scantype] en [Resolutie] configureren wanneer u een scanbewerking uitvoert. U kunt ook [Bestandstype],[Bestandsnaam] en [Beveiligingsinstellingen PDF-bestand] instellen wanneer u het gescande document verzendt per e-mail of naar een map.

Om de configuratie-instellingen voor scannen te wijzigen, gaat u als volgt te werk:

Scaninstellingen configureren

  1. Op het bedieningspaneel van het apparaat drukt u op de [Scanner]-knop.
Afbeelding
  1. Druk op [Scaninstellingen].
Afbeelding
  1. Stel op het tabblad [Scantype] het type originelen in dat u wilt scannen en druk vervolgens op [OK].
Afbeelding
  1. Stel op het tabblad [Resolutie] de resolutie in om het origineel te scannen en druk vervolgens op [OK].
  2. Opmerking:
    • Bij het digitaliseren van standaard documenten (zonder foto’s of andere afbeeldingen), zowel in zwart-wit als kleur, is een resolutie van 200 dpi normaal gesproken leesbaar.
    • Voor documenten die bedoeld zijn voor OCR of opnieuw afdrukken, wordt een resolutie van 300-400 dpi aanbevolen.
    • Het scannen van kleurgegevens met 400-600 dpi levert grote bestanden op en vereist een grote hoeveelheid geheugen om het bestand later weer te geven.
Afbeelding
  1. Stel op het tabblad [Scanformaat] het formaat van het origineel in en druk vervolgens op [OK].
  2. Opmerking:
    • De standaardwaarde is [Autodetectie]. Het is dus niet nodig om het formaat van elk document in te stellen.
    • Als [Autodetectie] wordt gebruikt, worden standaardformaten automatisch gedetecteerd.
    • Als het origineel uit meerdere pagina’s van verschillende formaten bestaat, drukt u op [Gemengde formaten].
    • Om documenten met een aangepast formaat te scannen, gaat u als volgt te werk:
      1. Druk op [Aangepast formaat].
      2. Wijzig indien gewenst [Origineelformaat], [Beginpositie scan] en [Scanformaat] met behulp van het numerieke toetsenblok op het bedieningspaneel of het apparaat om waarden in te voeren. Nadat u elke waarde hebt ingevoerd, drukt u op [afbeelding].
      3. Als u klaar bent met de instellingen, drukt u op [OK].
Afbeelding
  1. Klik op het tabblad [Bewerken] op [Rand wissen].
  2. Opmerking:
    • Hiermee wordt een rand met een opgegeven breedte verwijderd uit gescande afbeeldingen.
Afbeelding
  1. Om randen met dezelfde breedte te verwijderen, drukt u op [Dezelfde breedte] en gebruikt u de toetsen [+] en [-] om de breedte op te geven van de te verwijderen rand. Zodra u klaar bent, drukt u op [OK].
  2. Opmerking:
    • Om de breedte van elke te verwijderen rand in te stellen, drukt u op [Verschillende breedte] en gebruikt u vervolgens [Links],[Rechts], [Boven] en [Onder] in combinatie met de toetsen [+] en [-] om de breedte van de te verwijderen rand aan elke zijde in te stellen. Zodra u klaar bent, drukt u op [OK].
Afbeelding

Het bestandstype en de bestandsnaam instellen

Opmerking:

  • Het bestandstype kan worden geconfigureerd wanneer u een onlangs gescand of een opgeslagen bestand per e-mail of naar een map verzendt.

[+] Het bestandsformaat wijzigen

[+] PDF beveiligen (gecodeerde PDF)

[+] Beveiligde PDF (beperkte PDF)

[+] Bestandsnaam

[+] Origineel invoertype
Let op!

Om instellingen te registreren als standaardinstellingen die onmiddellijk moeten worden gebruikt na het aanzetten van het apparaat en na automatisch wissen of een reset, gaat u als volgt te werk.

De instellingen die kunnen worden opgegeven als standaardinstellingen zijn: kleurselectie, invoerlade, origineeltype, dichtheid, speciale origineelinstellingen, origineelrichting, voorblad, bewerken/kleur, zijden/binding/deling, formaatwijziging en afwerking.

  1. Druk op de [Scanner]-knop en geef de instellingen op die u wilt opgeven als standaardinstellingen.
Afbeelding
  1. Op het bedieningspaneel van het apparaat drukt u op de [Programmeren]-knop.
Afbeelding
  1. Druk op [Opslaan als standaards].
  1. Druk op [Opslaan].
  1. Wanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven, drukt u op [Opslaan].
  1. De huidige instellingen worden opgeslagen als standaardinstellingen en u keert terug naar het standaard scherm.

Opmerking: De screenshots zijn uitsluitend ter illustratie. Uw display kan er anders uitzien afhankelijk van uw besturingssysteem en apparaat.

Standaard scaninstellingen wijzigen en programeren

Als u de scannerinstellingen regelmatig wijzigt ten opzichte van de standaardinstellingen, kunt u tijd besparen door uw vaak gebruikte instellingen als standaardinstellingen op te slaan. Voer de volgende stappen uit om dit te doen:

  1. Geef op het eerste scannerscherm de instellingen op die u als standaard op wilt slaan.

  2. Druk op [Programmeren].

  3. Druk op [Als standaard programmeren].

  4. Druk op [Programmeren].

  5. Er wordt een bevestigingsscherm weergegeven. Druk op [Ja].

    De huidige instellingen worden als standaardwaarden geregistreerd en vervolgens wordt het eerste scherm opnieuw geopend.

Opmerking:

  • Om de oorspronkelijke standaardinstellingen van het beginscherm te herstellen, drukt u op [Fabrieksinstellingen herstellen].

  • Standaardinstellingen voor het eerste scherm kunnen worden geregistreerd voor normale schermen en vereenvoudigde displays.
Scannen naar SMB map instellen

Voer de volgende stappen uit om een SMB-map te registreren.

  1. Druk op de toets [Gebruikersinstellingen/Teller].
  1. Druk op [Systeeminstellingen].
  1. Druk op [Beheerdertoepas.].
  1. Druk op [Adresboekmanagement].
  1. Controleer of [Progr. / Wijz.] is geselecteerd.
  1. Selecteer de naam van de map die u wilt registreren.Druk op de naamtoets of voer het geregistreerde nummer met de cijfertoetsen in.
  1. Druk op [Verif. info] en druk vervolgens op [Volgende]..
  1. Druk op [Spec. and. Ver.info.], rechts van Mapverificatie.Wanneer [Niet specificeren] is geselecteerd, is de SMB-gebruikersnaam en -wachtwoord van toepassing die u hebt opgegeven in Standaard gebruikersnaam/wachtwoord (Verzenden) voor Bestand doorzenden.
  1. Druk op [Wijzigen] onder “Log-in gebruikersnaam”.
  1. Voer de log-in gebruikersnaam in en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Wijzigen] onder “Log-in wachtwoord”.
  1. Voer het wachtwoord in en druk op [OK].
  1. Voer het wachtwoord opnieuw in ter bevestiging en druk vervolgens op [OK].
  1. Druk op [Map].
  1. Druk op [SMB].Om een map op te geven kunt u het pad handmatig invoeren, of u kunt de map vinden door door het netwerk te bladeren.
  1. Geef het pad op.
  1. Druk op [Verbindingstest] om te controleren of het pad goed is ingesteld.
  1. Druk op [Afsluiten].Als de verbindingstest mislukt, controleer dan de instellingen en probeer het opnieuw.
  1. Druk op [OK].
  1. Druk op [Afsluiten].
  1. Druk op de toets [Gebruikersinstellingen/Teller].

Opmerking:

  • U kunt maximaal 64 tekens invoeren voor de gebruikersnaam.
  • U kunt tot maximaal 64 karakters invoeren voor het wachtwoord.
  • U kunt het pad invoeren met maximaal 128 tekens.
  • Als Gebruikersverificatie is opgegeven, neem dan contact op met uw beheerder.

De SMB-map handmatig opsporen

Voer de volgende stappen uit om een SMB-map handmatig te vinden.

  1. Druk op [Wijzigen] onder “Pad”.
  1. Voer het pad in waar de map zich bevindt.
  1. Druk op [OK].Als de notatie van het ingevoerde pad niet juist is, verschijnt er een melding. Druk op [Afsluiten] en voer dan het pad opnieuw in.

Opmerking:

  • Voer het pad zo in: “\\ServerNaam\Share-Naam\PadNaam”.
  • U kunt ook een IPv4-adres invoeren.
  • U kunt het pad invoeren met maximaal 128 tekens.

De SMB-map opsporen met de functie Bladeren door netwerk

Voer de volgende stappen uit om een SMB-map te vinden via Bladeren door netwerk.

  1. Druk op [Bladeren door netwerk].De client computers, die hetzelfde netwerk delen als het apparaat, komen tevoorschijn.Netwerk toont alleen client computers waartoe u toegang heeft.
  1. Selecteer een client computer.Onder de client computer komen gedeelde mappen te staan.U kunt op [1 Niveau omhoog] drukken om van het ene niveau naar het andere te gaan.
  1. Selecteer de map die u wilt registreren.
  1. Druk op [OK].

Als een log-in scherm verschijnt

Voer de volgende stappen uit om in te loggen op het apparaat, als het inlogscherm verschijnt, terwijl u probeert een map te openen door door het netwerk te bladeren.

Als u geen mapverificatie heeft opgegeven, of als er een onjuiste gebruikersnaam of onjuist wachtwoord voor de mapverificatie is ingevoerd, dan verschijnt het inlogscherm.

  1. Voer de log-in gebruikersnaam in en druk vervolgens op [OK].Voer de log-in gebruikersnaam in die voor mapverificatie is opgegeven.
  1. Voer het wachtwoord in en druk op [OK].Het pad naar de geselecteerde map verschijnt.Als er een bericht verschijnt, druk dan op [Afsluiten] en voer de log-in gebruikersnaam en het wachtwoord opnieuw in.
Scannen naar FTP server

Voer de volgende stappen uit:

  1. Druk op [Handm. invoer].

  2. Druk op [FTP].

  3. Druk op [Handm. invoer] rechts van het veld met de servernaam.

    Het soft-toetsenbord wordt weergegeven.

  4. Voer een servernaam in.

    In plaats van de bestemming op te geven aan de hand van het pad, kunt u ook het desbetreffende IPv4-adres opgeven.

  5. Druk op [Handm. invoer] rechts van het padveld.

  6. Voer het pad voor de map in.

    Als de mapnaam bijvoorbeeld gebruiker is en de submapnaam lib: gebruiker\lib.

  7. Druk op [OK].

  8. Geef de gebruikersnaam op, in overeenstemming met de betreffende instelling op de bestemming.

    Druk op [Handm. invoer] rechts van het veld Gebruikersnaam om het soft-toetsenbord weer te geven.

  9. Geef het wachtwoord op, in overeenstemming met de betreffende instelling op de bestemming.

    Druk op [Handm. invoer] naast het wachtwoordveld, zodat het soft-toetsenbord wordt weergegeven.

  10. Als u het poortnummer wilt wijzigen dat in [Systeeminstellingen] is ingesteld, drukt u op [Wijzigen] aan de rechterkant van het poortnummerveld. Geef een poortnummer op met de cijfertoetsen en druk vervolgens op [#].

  11. Druk op [Verbindingstest].

    Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven map bestaat.

  12. Controleer het resultaat van de verbindingstest en druk op [Afsluiten].

  13. Druk op [OK].

Opmerking:

  • Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht.

  • De verbindingstest kan enige tijd in beslag nemen.

  • Het is tijdens een verbindingstest wellicht niet mogelijk op [Verbindingstest] te drukken direct nadat u op [Annuleren] heeft gedrukt.

  • Om het geregistreerde pad naar een bestemmingsmap te wijzigen, drukt u op [Bewerken] links van het bestemmingsveld, zodat het soft-toetsenbord wordt weergegeven. Voer het nieuwe pad in en klik vervolgens op [OK].

  • U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat.

  • Het is mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan versturen als u geen schrijfrechten heeft voor de map of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf.
Scannen naar usb stick of sd kaart
  1. Steek een usb stick of sd kaart in de mediasleuf.
  1. Druk op de knop [Printer] om het printerscherm weer te geven.
  1. Druk op [Vanaf geheugenopslagapparaat afdrukken].
  1. Selecteer, indien nodig, het verwijderbaar geheugenapparaat dat het bestand bevat dat u wilt afdrukken.Er kan slechts één verwijderbaar geheugenapparaat tegelijk worden geselecteerd.

 

  1. Selecteer het bestand dat u wilt afdrukken.U kunt meerdere JPEG-bestanden in de huidige map tegelijk selecteren.Als u een met een wachtwoord beveiligd PDF-bestand wilt afdrukken, drukt u op [Wachtwoord invoeren] en voert u het wachtwoord in.
  1. Druk indien nodig op [Uitgebreide Instelling] om de uitgebreide afdrukinstellingen op te geven.Houd er rekening mee dat bepaalde instellingen niet tegelijk kunnen worden geselecteerd. Zo kan dubbelzijdig afdrukken niet worden geselecteerd voor bepaalde papierformaten.
    • [Hoeveelheid]: gebruik de cijfertoetsen om het gewenste aantal kopieën (1 tot 999) op te geven.
    • Papierformaat/invoerlade: geef het papierformaat/de invoerlade op die voor het afdrukken gebruikt worden moet. U kunt er ook voor kiezen om de afbeelding aan te passen aan het geselecteerde papier (dit is de standaardinstelling voor JPEG-bestanden).
    • [Afdrukkwaliteit] (voor JPEG-bestanden): selecteer de gewenste afdrukkwaliteit: [Normaal], [Ontwerp] of [Fijn].
    • [Resolutie] (voor TIFF-bestanden): selecteer de gewenste resolutie: [200 dpi], [400 dpi] of [600 dpi].
    • [Resolutie] (voor PDF-bestanden): selecteer de gewenste resolutie: [600 dpi (Snel)], [600 dpi (Standaard)], [600 dpi (Hoge kwaliteit] of [1200 dpi].
    • [Dubbelzijdig]: als u dubbelzijdig afdrukt, geeft u een inbindmethode op.
    • [Combineren] (voor PFD-bestanden): als u meerdere pagina’s combineert, geeft u het aantal pagina’s op dat moet worden gecombineerd, de volgorde van de pagina’s (volgordes die linksboven beginnen, zijn beschikbaar) en of er een scheidingslijn moet worden afgedrukt.
    • [Sorteren]/[Stapelen] (voor TIFF/PDF-bestanden): als u meerdere sets afdrukt, geeft u op of er batches of geordende sets moeten worden afgedrukt.
    • [Nieten]/[Perforeren] (voor TIFF/PDF-bestanden): als het apparaat beschikt over een optionele finisher, kunt u instellingen voor nieten en perforeren opgeven.Voor nieten kunt u alleen nietposities opgeven. Als papier automatisch geselecteerd wordt, is de niet- of perforeerpositie misschien niet zoals verwacht.
  1. Druk op de toets [Afdrukken starten] of [Starten] om te beginnen met afdrukken.Het afdrukken kan enige tijd duren afhankelijk van het aantal en de grootte van de geselecteerde bestanden.Als u nog een bestand wilt afdrukken, wacht u tot het apparaat klaar is met afdrukken. Als u probeert een bestand af te drukken, voordat de huidige taak voltooid is, verschijnt er een foutmelding.
  1. Druk na het afdrukken op [Geheugenopslagapparaat verwijderen].
  1. Selecteer het geheugenapparaat dat u wilt verwijderen en druk op [Verwijderen].U kunt meerdere verwijderbare geheugenapparaten tegelijk selecteren.

 

  1. Druk op [Afsluiten] in het bevestigingsscherm.Ontkoppel het verwijderbare geheugenapparaat.

Opmerking

  • U kunt niet meerdere TIFF-bestanden, PDF-bestanden of bestanden van andere formaten tegelijkertijd selecteren.
  • Als u tussen de verschillende mappen bladert of een ander verwijderbaar geheugenapparaat selecteert, wordt de bestandsselectie geannuleerd.
  • Een PDF-bestand kan afgedrukt worden als dat niet groter is dan 500 MB. Een JPEG-/TIFF-bestand kan afgedrukt worden als het niet groter is dan 1 GB.
  • U kunt tot 999 JPEG-bestanden tegelijk selecteren, zolang het totaal formaat van de bestanden die u geselecteerd hebt niet groter is dan 1 GB.
  • De beschikbaarheid van papierformaten is afhankelijk van het formaat van het bestand dat werd geselecteerd. In het geval van een JPEG-bestand kunt u geen formaten selecteren die niet beschikbaar zijn voor het bestandsformaat.
  • Het apparaat drukt mogelijk gegevens af die zwart-wit lijken in de kleurenafdrukmodus. Als u er zeker van wilt zijn dat de gegevens in zwart-wit afgedrukt worden, dient u zwart-wit op te geven voor de afdruktaak.
  • Als u een ander verwijderbaar geheugenapparaat aansluit door de bovenstaande procedure te volgen, dan verschijnt er een lijst van bestanden en mappen in de root directory op dat verwijderbaar geheugenapparaat.
  • Als het verwijderbaar geheugenapparaat is gepartitioneerd, dan kunnen alleen bestanden opgeslagen in de eerste partitie worden afgedrukt.
  • Als er een USB-flashgeheugenapparaat in de mediasleuf zit, gaat de LED op de sleuf branden en blijft branden.
  • Indien er een SD-kaart in de mediagleuf zit, gaat de LED op de gleuf niet branden maar knipperen wanneer de kaart wordt gelezen.
  • Verwijder het verwijderbare geheugenapparaat of de USB-kabel niet als de LED knippert.
Ondertekening bij bericht scan naar e-mail

Met behulp van instellingen in Web Image Monitor kunt u een ondertekening maken die automatisch wordt gebruikt voor alle e-mailberichten die worden verzonden door gebruikers van het apparaat of door het apparaat zelf.

Deze ondertekening is in feite een tekst die als voettekst wordt toegevoegd aan de hoofdtekst van het e-mailbericht. De ondertekening kan bijvoorbeeld informatie over de afzender bevatten, zoals de bedrijfsnaam.

Ga als volgt te werk:

  1. Open een webbrowser.
  1. Typ “http://(IP-adres van het apparaat of hostnaam)/” in de adresbalk in.Als u een IPv4-adres invoert, mogen de segmenten niet met een nul beginnen. Als het adres bijvoorbeeld “192.168.001.010” is, voert u het in als “192.168.1.10” om verbinding te maken met het apparaat. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven.
  1. Klik achtereenvolgens op [Configuratie] en op [E-mail] bij “Apparaatinstellingen”.
  1. Voer een ondertekening van maximaal 1024 tekens in bij “Handtekening” onder “E-mailondertekening creëren”.
SSL inschakelen voor SMTP verbinding

SL-codering voor SMTP-verbindingen kan worden opgegeven door de netwerkbeheerder.

Als u SSL-codering wilt inschakelen voor SMTP-verbindingen, volgt u deze stappen:

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].
  1. Druk op [Systeeminstellingen].
  1. Druk op [Bestandsoverdracht].
  1. Druk op SMTP Server.
  1. Druk bij “Gebruik beveiligde verbinding (SSL)” op [Aan].Als u geen SSL voor SMTP-verbindingen gebruikt, drukt u op [Uit].Wanneer “Gebruik beveiligde verbinding (SSL)” is ingesteld op [Aan], wordt het poortnummer ingesteld op 465. Deze instelling kan niet worden gewijzigd.
  1. Druk op [OK].
  1. Druk op [Afsluiten].
  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

Opmerking

  • Als u “Gebruik beveiligde verbinding (SSL)” instelt op [Aan], kunt u de SMTP-server niet omzeilen om internetfaxdocumenten rechtstreeks te verzenden.
Scan naar e-mail werkt niet

Indien u een foutmelding krijgt bij het scannen naar een e-mailadres, staan de gegevens van uw mailaccount niet goed ingevuld in de instellingen van de printer. Zorg dat de SMTP gegevens en een e-mailadres om mee te kunnen verzenden goed ingevuld zijn. Informeer eventueel bij uw provider welke gegevens gebruikt dienen te worden.

Melding ``Kan het specifieke pad niet vinden`` bij scannen

Wat moet ik doen als ‘Kan het specifieke pad niet vinden. Controleer de instellingen.’ wordt weergegeven?

Als ‘Kan het specifieke pad niet vinden. Controleer de instellingen.’ wordt weergegeven, wordt de communicatie met de scanner mogelijk geblokkeerd door de Windows-firewall. Mogelijk kunt u verbinding maken met de scanner die u wilt gebruiken, door deze toe te voegen aan de uitzonderingenlijst voor de firewall.

Om een apparaat aan de uitzonderingenlijst in Windows Firewall toe te voegen, gaat u als volgt te werk:

Opmerking

  • Dit is slechts een deel van de oplossing, geen complete oplossing. Als het probleem niet is opgelost, neem dan contact op met uw systeembeheerder.
  1. Klik op de taakbalk op [Start] en selecteer [Configuratiescherm].
  1. Dubbelklik op [Beveiligingscentrum].
  1. Klik op [Windows Firewall].
  1. Klik op het tabblad [Algemeen] en klik vervolgens op [Aan]. Controleer nu of het vakje [Geen uitzonderingen toestaan] niet is aangevinkt (als het wel is aangevinkt, verwijdert u het vinkje).
  1. Selecteer het tabblad [Uitzonderingen] en vink vervolgens bij [Programma’s en services] het vakje [Bestanden en printers delen]aan. Druk vervolgens op [OK].
  1. Klik op de knop [Sluiten] om het Beveiligingscentrum te sluiten.

De configuratie is nu voltooid. Controleer opnieuw de communicatie met de scanner.

Opmerking

  • Als het probleem hiermee niet is opgelost, wordt het door een andere factor veroorzaakt. Raadpleeg de onderstaande informatie voor andere mogelijke oorzaken en oplossingen.

Dit is slechts een deel van de oplossing, geen complete oplossing. Als het probleem niet is opgelost, neem dan contact op met uw systeembeheerder.

Service bellen verschijnt op het display

Noteer eventuele codenummers die worden weergegeven op het display en neem contact op met servicedesk@reprotec.nl

Het bericht Service bellen dat eruitziet als een moersleutel: Image geeft aan dat er een fout is opgetreden in het apparaat waar een servicevertegenwoordiger naar moet kijken.

Als het probleem een sensorstoring is, kunt u het mogelijk oplossen en de indicator uitschakelen met een van de volgende methoden.

  • Zet de hoofdschakelaar van het apparaat uit en weer aan.
  • Als bepaalde onderdelen of componenten onlangs zijn vervangen, moet u proberen deze te verwijderen, ze opnieuw terugplaatsen en vervolgens schakelt u de hoofdstroomschakelaar van het apparaat uit en in (als de detectie van imperfecte onderdelen als een fout wordt geïnterpreteerd door het apparaat).
  • Mogelijk worden extreme temperatuurschommelingen door het apparaat geïnterpreteerd als een fout. Schakel de hoofdstroomschakelaar uit, wacht enkele minuten zodat het apparaat kan afkoelen en vervolgens zet u deze weer aan.Opmerking:
    • Als er een fax wordt verzonden of ontvangen of als er printergegevens worden ontvangen, kan het uitzetten van de hoofdschakelaar van het apparaat resulteren in gegevensverlies. Controleer of het apparaat niet wordt gebruikt om te faxen of af te drukken, voordat u probeert de hoofdschakelaar van het apparaat uit te zetten.

Let op: ‘hoofdschakelaar’ betekent de werkelijke, fysieke hoofdschakelaar.

Serienummer bekijken

Ga als volgt te werk:

  1. Druk op de knop [Gebruikersinstellingen/Teller].

  2. Druk op [Informatie].

    Informatie wordt weergegeven.

  3. Druk op [Informatielijst afdrukken] als u de informatie wilt afdrukken.

  4. Druk op de [Start]-knop.

    De informatie wordt afgedrukt.

  5. Druk tweemaal op [Afsluiten].
Tellerstand bekijken / afdrukken

Hoe kan ik de tellerstanden zien ?

Voer de volgende procedure uit om de teller voor kopieën/totalen weer te geven:

Plaats de cursor boven een koppeling om de afbeeldingen te bekijken.

  1. Druk op de [Gebruikersinstellingen/Teller]-knop.
  2. Raak de toets [Teller] aan om alle tellers te bekijken.
  3. Druk op de toets [Tellerlijst afdrukken]
  4. Druk op de [Start]-knop om een lijst van de tellers af te drukken.
  5. Druk op de knop[Gebruikersinstellingen/Teller] om de bewerking te voltooien.

 

Toner vervangen

Voer de volgende stappen uit om toner bij te vullen:

Opmerking: zelfs als de melding “Toner bijna op” wordt weergegeven, kan het apparaat nog een groot aantal kopieën en afdrukken maken.
Maak de reservetonercartridge gereed als de melding “Toner bijna op” wordt weergegeven, en vervang de toner als de melding “Toner op” wordt weergegeven.

  1. Open de voorklep van het apparaat.

  2. Trek de tonercartridge langzaam uit het apparaat.

  3. Haal de nieuwe tonercartridge uit de doos.

  4. Houd de tonercartridge vast en schud deze vijf- of zesmaal op en neer.

  5. Controleer of de tonercartridge in de juiste richting wijst en plaats deze voorzichtig terug in het apparaat.

  6. Sluit het voorpaneel van het apparaat.

Opmerking: schud de verwijderde tonercartridge niet. Hierdoor kunnen er namelijk restjes toner rondspatten.

Papier plaatsen in de papiercassette

Belangrijk

  • Stapel het papier niet hoger dan de limietmarkering.

Opmerking

  • Waaier het papier los voordat u het in de lade plaatst.
  • Maak omgekruld of gevouwen papier recht voordat u het plaatst.

Klik op om alle extra informatie in dit antwoord te verbergen of weer te geven.

[-] Papier in lade 1 – 4 plaatsen

In dit gedeelte wordt beschreven hoe u papier kunt plaatsen in lade 1 – 4.
Elke papierlade wordt op dezelfde manier gevuld.
In het volgende voorbeeld wordt er papier geplaatst in lade 2.

Belangrijk

  • Regio A (voornamelijk Europa en Azië): In lade 1 past alleen A4Staand-papier. Als u wilt afdrukken op A5Staand, B5 JIS (Japanese Industrial Standard)Staand of 81/2 x 11Staand uit lade 1, neem dan contact op met uw servicevertegenwoordiger.
  • Regio B (voornamelijk in Noord-Amerika): Lade 1 kan alleen 81/2 x 11Staand papier bevatten. Als u wilt afdrukken op A4Staand, A5Staand of B5 JIS (Japanese Industrial Standard)Staand uit lade 1, neem dan contact op met uw servicevertegenwoordiger.
  • Controleer of de papierranden zijn uitgelijnd met de rechterzijde.
  1. Trek de papierlade voorzichtig naar buiten tot deze stopt.
    Afbeelding lade 2
  2. Leg het papier recht neer en plaats het met de afdrukzijde naar boven.
    Plaats geen papier boven de limietmarkering.
    Afbeelding lade 2
  3. Schuif de papierlade langzaam volledig naar binnen.

Opmerking

  • Wanneer u een klein aantal vellen plaatst, moet u ervoor zorgen dat u de zijgeleiders niet te ver naar binnen drukt. Als het papier opbolt, wordt het niet goed in het apparaat gevoerd.
  • Als een papierlade te ruw dicht geduwd wordt, kunnen de zijwanden van de lade van hun plaats raken.
  • In lade 2 – 4 kunt u diverse papierformaten laden door de stand van de zij- en achterafscheidingen aan te passen.
  • U kunt enveloppen in lade 2 – 4 plaatsen.
  • Elke lade kan maximaal 550 vellen papier bevatten.
Standaard kopieerinstellingen wijzigen en opslaan

U kunt de instellingen van het beginscherm zodanig configureren dat het standaardscherm de functies bevat die u het meest gebruikt.

Bijvoorbeeld: als de standaardinstelling de Duplex-functie is, maar u gebruikt de functie enkelzijdig kopiëren het meest, kunt u de standaardinstelling in enkelzijdig kopiëren veranderen.

De instellingen die u als standaardinstellingen kunt programmeren zijn
  • Kleurenmodus*
  • Papierlade
  • Origineeltype
  • Belichting
  • Speciaal origineel
  • Origineelrichting
  • Voorblad/tussenblad
  • Bewerken / Kleur*
  • Duplex/combi./reeks
  • Verkleinen/Vergroten
  • Afwerken
  • Aantal kopieën

*Alleen kleurenapparaten

  1. Geef scaninstellingen en andere instellingen op die u nodig hebt in het beginscherm.
  2. Druk op de knop [Programmeren].
    *
  3. Druk op [Als standaard programmeren].
    *
  4. Druk op [Programmeren].
    *
  5. Wanneer er een dialoogvenster voor bevestiging verschijnt, drukt u op [Ja].

De huidige instellingen worden geprogrammeerd als standaardinstellingen en u keert terug naar het beginscherm.

 

Instellen met een Smart Operation Display

1Druk op [Home] (Schermafbeelding bedieningspaneel) onderaan in het midden van het scherm.

2Veeg het scherm naar links en druk vervolgens op het pictogram [Kopieerapparaat] in Home-scherm 4.

3Bewerk de kopieerinstellingen zodat alle functies die u wilt registreren in een programma worden geselecteerd.

4Druk op [Herroepen/Progr./Progr. wijzigen] linksonder in het scherm.

5Druk op [Geprogram.].

6Druk op het nummer van het programma dat u wilt registreren.

Afbeelding van bedieningspaneel

7Voer de programmanaam in.

8Druk op [OK].

9Druk op [Afsluiten].

Opmerking
  • Om de standaard fabrieksinstellingen weer op het beginscherm te installeren, drukt u op [Fabrieksinstellingen herstellen].
  • De standaardinstellingen kunnen afzonderlijk worden geprogrammeerd voor het normale scherm en de eenvoudige weergave.
Papierlade blokkeren of automatisch doorschakelen

Druk op de toets Gebruikersinstellingen/teller (123-toets) om in het gebruikersmenu te komen.

  1. Kies voor Systeeminstellingen.
  2. Kies voor Instellingen papierlade
  3. Druk op volgende tot papiertype lade.
  4. Kies de lade, die geblokkeerd moet worden.
  5. Druk op Automatische Papierselectie.
  6. Kies voor Nee als de lade moet worden geblokkeerd
  7. Kies voor Ja als de lade mag doorschakelen.
  8. Bevestig met OK.
  • Wanneer u een pop-up scherm krijgt met de melding geen privileges dient u uw systeembeheerder te raadplegen.
  • In het display is bij de betreffende lade een sleutel zichtbaar, daaruit blijkt dat deze lade geblokkeerd is.
Dubbelzijdig kopiëren instellen
  • Het papiergewicht dat bij deze functie kan worden gebruikt is 60 – 169 g/m2 (16 lb. bankpost – 90 lb. index).
1 Sided * 2 Sided
Kopieert twee enkelzijdige pagina’s op één dubbelzijdige pagina.
Afbeelding van duplex

2-zijdig* 2-zijdig
Kopieert twee enkelzijdige pagina’s op één dubbelzijdige pagina.
Afbeelding van duplex

Richting origineel en voltooide kopieën
De resulterende gekopieerde afbeelding verschilt afhankelijk van de afdrukrichting waarin u uw originelen plaatst (Staand or Liggend).
De tabel geeft de richtingen van de gekopieerde afbeeldingen weer op de voor- en achterzijde, niet de richting waarin deze worden afgeleverd.
Voorbeeld van Duplex

  1. Druk op [Duplex/Combineren/Serie].
    Schermafbeelding Bedieningspaneel
  2. Let erop dat [Duplex] is geselecteerd. Als [Duplex] niet is geselecteerd, drukt u op [Duplex].
  3. Kies [1-zijdig 2-zijdig] of [2-zijdig 2-zijdig].
    Schermafbeelding bedieningspaneel
    Om de afdrukrichting van het origineel of de kopie te veranderen, drukt u op [Richting].
  4. Druk op [OK].
  5. Plaats de originelen en druk vervolgens op de [Start]-knop.

Opmerking

  • Als u een origineel op de glasplaat plaatst, moet u beginnen met de eerste pagina die moet worden gekopieerd. Als u originelen in de ADF plaatst, plaats dan de eerste pagina bovenop.
  • Als originelen op de glasplaat of in de ADF worden geplaatst en u gebruikt de Batchmodus, druk dan op de [Hekje]-knop nadat alle originelen zijn gescand.
  • U kunt ook [1-zijdig * 2-zijdig] of [2-zijdig * 2-zijdig] selecteren door rechtstreeks op de kopieerapparaatknop te drukken. Ga in dat geval door naar stap 5.
  • U kunt de marges specificeren onder Bewerken in de Gebruikersinstellingen.
  • U kunt de volgende soorten kopieerpapier gebruiken met deze functie:
    • A3Liggend, A4StaandLiggend, A5StaandLiggend,A6Liggend, B4 JISLiggend, B5 JISStaandLiggend, B6JISLiggend, 11 x 17Liggend,
      11 x 15Liggend,10 x 14Liggend, 81/2 x 14Liggend, 81/2 x 13Liggend, 81/2 x 11StaandLiggend, 81/4 x 14Liggend, 81/4 x 13Liggend, 8 x 13Liggend, 8 x 10Liggend, 71/4 x 101/2StaandLiggend, 8KLiggend, 16KLiggend
  • U kunt de volgende soorten kopieerpapier niet gebruiken met deze functie:
    • Kalkpapier
    • Etiketten (stickervellen)
    • OHP-transparanten
    • Briefkaarten
    • Enveloppen
    • Dun papier
    • Dik papier
  • Als in de ADF een oneven aantal originelen is geplaatst, is de achterkant van de laatste gekopieerde pagina blanco.
  • Tijdens het kopiëren wordt de afbeelding verschoven om ruimte te maken voor de bindmarge.
  • Er wordt standaard een inbindmarge ingesteld voor de achterpagina.
Strepen op de kopie of scan

Om te controleren of dit een scanprobleem is, probeert u eerst een pagina af te drukken vanaf uw computer. Als de lijnen of vlekken niet zichtbaar zijn op afdrukken, is schoonmaken voldoende om het probleem op te lossen. Als de afdrukken ook lijnen of vlekken vertonen, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger.

Zwarte lijnen of vlekken op uw kopieën kunnen ontstaan doordat de glasplaat en/of de ADF vuil is.

De glasplaat, het scanglas en/of de ADF zijn vuil.

Maak deze schoon met een zachte doek en probeer opnieuw te kopiëren.

De glasplaat reinigen:

Reinig 1 en 2.

De automatische documentinvoer (ADF) reinigen:

Reinig 1 en 2.

Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger.

Zorg dat er geen water of spray onder de glasplaat terecht komt.

Papierstoring oplossen

In dit onderdeel wordt beschreven hoe u vastgelopen papier kunt opsporen en verwijderen.

LET OP

  • Het apparaat kan van binnen zeer heet worden. Raak onderdelen met de sticker “hot surface”(heet oppervlak) niet aan. Als u dit wel doet, kunt u mogelijk brandwonden oplopen.
  • Bepaalde interne onderdelen van dit apparaat worden erg heet. Wees daarom voorzichtig wanneer u vastgelopen papier verwijdert. Als u de onderdelen wel aanraakt, kunt u brandwonden oplopen.
  • Zit niet aan de lade van de boekjesfinisher wanneer u verkeerd ingevoerd papier verwijdert of de nieteenheid van de finisher eruit haalt of erin doet. Anders kunt u uw vingers verwonden of raken ze bekneld.

Belangrijk

  • Schakel het apparaat niet uit bij het verhelpen van papierstoringen. Als u dit wel doet, gaan uw kopieerinstellingen verloren.
  • Laat geen stukjes papier in het apparaat achter om papierstoringen te voorkomen.
  • Indien er herhaaldelijk papierstoringen optreden, dient u contact op te nemen met uw leverancier.
  • Als het bericht blijft staan, zelfs nadat u het vastgelopen papier hebt verwijderd, open en sluit de voorklep.

Opmerking

  • Aan de binnenzijde van de voorklep of binnenin de finisher vindt u een sticker met aanwijzingen over hoe u de papierstoring kunt verhelpen.
  • Als er een gedetailleerde verwijderingsinstructie rechts op het scherm verschijnt, volg deze dan op.
  • U kunt ook de procedure gebruiken die is aangegeven in [Systeemstatus] voor het verwijderen van vastgelopen papier.

Vastgelopen papier opsporen:

Als er een storing optreedt, verwijdert u vastgelopen papier of originelen door de procedures te volgen die op de sticker staan vermeld binnenin de voorklep van de hoofdeenheid.

Er is een papierstoring opgetreden op de plaats die overeenstemt met de letter die op het bedieningspaneel wordt weergegeven.
Schermafbeelding apparaat

  1. Druk op de toets van het gedeelte waaruit u het vastgelopen papier wilt verwijderen.
Schermafbeelding Bedieningspaneel
  1. Nadat elke stap is voltooid, drukt u op [Volgende]. Om terug te keren naar de vorige stap, drukt u op [Vorige].
Schermafbeelding Bedieningspaneel
  1. Na het verwijderen van het vastgelopen papier, brengt u het apparaat weer terug in de originele staat.

Opmerking:

  • Er kunnen op verschillende plaatsen papierstoringen worden aangeduid. Als dit gebeurt, controleer dan alle aangegeven gebieden.
  • Als er geen papier is vastgelopen in het eerste deel dat u controleerde, kijk dan in de andere delen die aangegeven worden.

Vastgelopen papier verwijderen

In dit onderdeel wordt beschreven hoe u vastgelopen papier verwijdert.

Belangrijk:

  • De inwendige onderdelen van het apparaat kunnen heet zijn. Wacht totdat de duplexeenheid is afgekoeld, voordat u een papierstoring in de eenheid gaat verhelpen.

Opmerking:

  • Aan de binnenzijde van de voorklep of binnenin de finisher vindt u een sticker met aanwijzingen over hoe u de papierstoring kunt verhelpen.
  • Als er een gedetailleerde verwijderingsinstructie rechts op het scherm verschijnt, volg deze dan op.
  • U kunt ook de procedure gebruiken die is aangegeven in [Systeemstatus] voor het verwijderen van vastgelopen papier.